Religie & cultuur in de Lage Landen IKON logo publieke omroep
Lux Het Vermoeden
De Vermoeden Viering
Lux Magazine
Luxmagazine
   

Seyla Benhabib

Deze pagina hoort bij een uitzending met Seyla Benhabib van het televisieprogramma LUX. Klik hier als u die uitzending wilt bekijken.

Introductie en kenschets van haar werk
Tijdlijn
De rechten van anderen (boekbespreking)
Links
Artikelen en andere bronnen
Bibliografie

Introductie


Seyla Benhabib (Istanbul, 1950) is professor in de politieke wetenschappen en filosofofie aan Yale University in New Haven (zo’n 100 km van New York, waar ze woont).

Benhabib heeft een joodse achtergrond. Haar voorouders kwamen rond 1492 vanuit Spanje, waar vanaf dat jaar de Inquisitie joden dwong zich te bekeren tot het christendom, naar het Ottomaanse rijk, dat rond die tijd Istanboel veroverde op de Byzantijnen. Daar werden de joden volgens Benhabib gastvrij ontvangen. Thuis sprak zij naast Turks, Frans en Italiaans ook Ladino, een 15e eeuws mengsel van Spaans en Hebreeuws.

Benhabib bezocht Engelstalige scholen in Istanboel en studeerde verder in de VS vanaf 1970 (eerst bij Alisdair MacIntyre en vanaf 1972 aan Yale). Sinds haar dissertatie over Hegel die ze in 1977 afrondde, gaf ze les in Boston, New York, Harvard (bij Europese studies) en in het buitenland in o.a. Wenen, Italië, Berlijn (2008-2009), Amsterdam (2000) en Frankfurt (eind jaren ’70 en begin jaren ’80). Ze beschouwt Duitsland als haar tweede vaderland. Ze werkte met Herbert Marcuse en schreef boeken over hem, Hegel, Jürgen Habermas (met wie ze samenwerkte in Duitsland) en Hannah Arendt. In 2004 kreeg Benhabib een eredoctoraat van de Universiteit voor Humanistiek.

Benhabib is getrouwd met Jim Sleeper, die colleges geeft over politiek aan Yale. Hij is bekend geworden als journalist, columnist en schrijver (over o.a. racisme, liberalisme, burgerschap en New York). Ze hebben samen een dochter, Laura (1986).

Inhoud van haar werk

In haar academische werk combineert Benhabib kritische theorie (in de lijn van de Frankfurter Schule) met feministische theorie. Over dat laatste perspectief schreef ze in 1994 een boek met o.a. Nancy Fraser en Judith Butler. Met betrekking tot diversiteit denkt Benhabib vooral na over de verhouding tussen de staat en haar bewoners. Ze staat een deliberatieve democratie voor, waarbij burgers als gelijken publiek in overleg gaan over te ontwikkelen beleid. Door deze interactie ontwikkelen burgers inzicht in maatschappelijke problemen en werken ze toe naar het formuleren van oplossingen. Op deze manier kan verschil volgens Benhabib een plaats krijgen in de democratie.

In het multiculturalisme zoals Benhabib dat voorstaat, hebben mensen allereerst individuele rechten. Er is een zeker recht op culturele eigenheid voor groepen, maar dan moeten individuen wel vrij zijn in hun identificatie met die groep en dus ook de groep kunnen verlaten. Het zijn al snel vrouwen en kinderen die het slachtoffer worden van interne druk. Benhabib wijst dan ook beelden van een 'essentiële culturele identiteit' af; elk individu vormt zijn identiteit op een narratieve en dialogische manier. Het officiële beleid in Nederland dat bijv. werkt met representanten van de moslimgemeenschap legt een autoritaire structuur op aan die groep. Dat gaat ten koste van de discussie binnen die gemeenschap; haar leiders leggen een homogeniteit op aan minderheden.

De rechten van anderen

In het boek De rechten van anderen constateert Benhabib een tegenstelling tussen fundamentele mensenrechten, ‘het recht om rechten te hebben’ en de neiging van natiestaten om zich te ‘verdedigen’ tegen grootschalige immigratie door hun grenzen te sluiten. In het Westeuropese model van natiestaten is burgerschap het criterium voor politiek lidmaatschap. Hierdoor wordt een hoge drempel opgeworpen voor ‘anderen’, met name vluchtelingen en asielzoekers die in het land van herkomst geen rechten (meer) hebben. Nationaal burgerschap is echter niet de enige weg om bescherming en representatie te vinden. Men kan ook op lokaal en op transnationaal niveau erkenning van rechten door economische, politieke, juridische en culturele instituties krijgen. Deze vormen van burgerschap hebben volgens Benhabib een betere toekomst dan het nationale burgerschap als enige vorm van burgerschap. De Nederlandse regel dat niet-Europeanen na vijf jaar mogen stemmen in lokale verkiezingen vindt ze een goed voorbeeld. Op transnationaal niveau pleit ze in de geest van Kant voor een kosmopolitisch federalisme.

Een hoofdstuk in De rechten van anderen is gewijd aan verschillende controverses over hoofddoeken op scholen (bij leerlingen en docenten). Daarin beschrijft ze het proces van 'democratische iteraties', complexe processen van publieke argumentatie en uitwisseling waardoor unversalistische rechtsaanspraken en principes worden betwist en in een context geplaatst. Een iteratie is niet zomaar een herhaling van een begrip, de betekenis van het begrip wordt bij elk begrip aangevuld en getransformeerd. Door de discussie krijgen abstracte begrippen hun vorm. Juist door hun verzet tegen de nieuwe beperkingen tegen hoofddoekjes op scholen namen Franse moslimvrouwen voluit deel aan het gemeenschappelijke debat over wat de Franse laïcité inhoudt. Volgens Benhabib moeten we uiteindelijk de 'kunst van de segregatie' leren beoefenen, we moeten leren leven met het anders-zijn van anderen wier levenswijzen misschien intens bedreigend zijn voor die van ons, binnen het kader van de wet die aan eenieder rechten verschaft.

Kenschets van haar werk

Benhabib is erg gevoelig voor de positie van minderheden. Dit heeft deels te maken met haar eigen identiteit, waarin meerdere minderheidsposities samenkomen:
- joods (Ladino)
- voourouders vluchtelingen (joden die in 1492 vanuit Spanje naar het Ottomaanse rijk kwamen)
- niet-moslim in Turkije
- vrouw (in patriarchale samenleving)
- migrant (in de VS)
- verbondenheid met veel Europese talen en culturen in familie

Deze identiteiten hebben haar een inzicht gegeven in de fragiliteit van politieke instituties en afkerig gemaakt van collectieve ideologiën die een zekere puurheid voorstaan (waarin afwijkende groepen en individuen het onderspit delven). Vluchtelingen zijn bij uitstek slachtoffers van het ineenstorten van politieke instituties en zuiveringen van collectieve identiteit. Haar joodse religieuze achtergrond heeft Benhabib een scherp oog gegeven voor thema's als ballingschap, vreemdelingschap en het belang van ethiek voor het mens zijn.

Zowel binnen haar familie als in Istanbul maakte ze kennis met een kosmopolitische houding, waarin Oriëntaalse en westerse invloeden samenkomen. Dit heeft haar een vurig pleitbezorger van de ontmoeting van deze invloedssferen gemaakt (dit is ook haar motief voor het organiseren van de Istanbul Seminars). Ze is echter verre van een relativist in morele zin (die meent dat we niet moeten oordelen over andere culturele praktijken dan de eigen), wat bijvoorbeeld blijkt uit haar feministische idealen (vrouwen verdienen overal rechten, we kunnen vormen van onderdrukking in andere culturen niet afdoen als 'zo gaat dat daar nu eenmaal en omdat het hun authentieke cultuur is moeten we daar niets over zeggen'). Ze probeert wel recht te doen aan de eigenheid van verschillende culturen.

Als filosofe voelt Benhabib zich verwant met de kritische theorie. Volgens één bepaalde definitie (niet van Benhabib zelf) kijkt kritische theorie naar bestaande praktijken vanuit het perspectief van utopische visies. Dat betekent volgens mij dat er gekeken wordt naar 'hoe het zou moeten zijn' en niet direct naar hoe dat bereikt zou moeten worden (dat laatste is in de politiek vaak cruciaal). Haar visies lijken daardoor soms wat onrealistisch, maar wellicht zijn de oplossingen die zij aandraagt niet zozeer bedoeld als politieke standpunten maar eerder als een theoretische basis waarop eventueel politieke standpunten geïnspireerd zouden kunnen worden.

Benhabib is bijzonder gedreven in haar werk, vooral waar het om de rechten van 'anderen' (kwetsbare minderheden, met name migranten) gaat. Ze heeft een grote kennis van de actuele politieke en juridische situatie en bemoeit zich van tijd tot tijd heel concreet met het maatschappelijke debat. Zo was ze in het najaar van 2010 één van de leidende krachten achter het (succesvolle) verzet tegen de toewijzing van de door de UNESCO georganiseerde World Philosophy Day aan Teheran. Ze ervaart haar werk als filosoof als een roeping.

De kern van haar werk is de vraag hoe universalistische principes van mensenrechten, autonomie en vrijheid verzoend kunnen worden met concrete identiteiten van mensen als leden van gemeenschappen die de mensheid verdelen op grond van taal, etniciteit en religie. Ze wijst dit soort collectieve identiteit niet af, maar wil wel aandacht voor de basale rechten van iedereen en van de vrijheid om af te wijken van de collectieve identiteit. Evenmin keert ze zich tegen het principe van nationale soevereiniteit (mensen binnen een bepaalde geografische eenheid kiezen de vertegenwoordigers die besturen over dat gebied), maar zoekt ze naar een verzoening van deze soevereiniteit met universele mensenrechten en naar rechten voor mensen die hun oorspronkelijke land verlaten hebben.

Tijdlijn

1950 geboren in Istanbul
tot 1966 English High School for Girls
1966-1970 BA Humanities American College for Girls in Istanboel
1972 BA filosofie Brandeis University (Honors Thesis: The Unity of Epistemology and Politics in the Thought of Thomas Hobbes)
MA PhD (1977) filosofie Yale (Dissertatie: Natural Right and Hegel: An Essay in Modern Political Theory)
1977-79 assistant professor philosophy Yale
1979-1981 Von Humboldt fellow aan Max Planck Instituut in Starnberg (in de buurt van München) bij Jürgen Habermas
1981-1985 assistant professor philosophy Boston University
1987-1989 assistant professor political theory. Harvard Department of Government
1989-1991 Associate Professor of Philosophy and Women’s Studies, State University of New York, Stony Brook
1991-1993 Professor of Political Science and Philosophy, Graduate Faculty, New School for Social Research, New York
1993-2001 Professor of Government aan Harvard Department of Government Senior Research Fellow aan het Center for European Studies
1993-1997 colleges in filosofie en sociale wetenschappen in Praag
1996 Visiting Senior Fellow at the Institut fuer die Wissenschaft vom Menschen in Vienna, Austria
2001-heden Eugene Meyer Professor of Political Science and Philosophy, Yale University
2005 senior fellow Remarque Institute (New York University)
2009 Fellow Wissenschaftskolleg zu Berlin
2011-2012 Academic Fellow aan het Strauss Institute van New York University

De rechten van anderen (2004)

Seyla Benhabib vergelijkt in haar inleiding deze tijd met een onbekend gebied dat we verkennen met verouderde kaarten. De uitdagingen van onze tijd zijn vooral mondiaal, terwijl de politiek georganiseerd is in nationale soevereine staaten. Deze spanning wordt zichtbaar in de verhouding tussen enerzijds mensenrechten voor migranten, vluchtelingen en asielzoekers en anderzijds de soevereiniteit van staten. Soevereiniteit houdt in dat staten het alleenrecht hebben om op hun grondgebied macht uit te oefenen. In de internationale arena ontmoeten staten elkaar als gelijken die geen gezag over andere soevereine staten uit kunnen oefenen. Benhabib stelt in haar boek de vraag hoe universele mensenrechten en de soevereiniteit van staten zich tot elkaar verhouden en aan beide recht gedaan kan worden.

Burgerschap

Westerse staten hebben zich de afgelopen eeuwen ontwikkeld volgens het 'Westfaals model'. In Westfalen werd in 1648 in een vredesverdrag besloten tot erkenning van een aantal soevereine natiestaten, waaronder de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In de ontwikkeling van de democratie ging het burgerschap van zo'n staat het politiek lidmaatschap bepalen. Er ontstond een onderscheid tussen burgers en 'anderen', die naast elkaar leven, maar geen aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten. Bovendien hebben alleen burgers een stem in het bepalen van het beleid van de staat.

Men verkrijgt deze burgerschapsrechten op redelijk arbitraire gronden. De meeste mensen worden burger door geboorte, en ook de 'anderen' hebben het over het algemeen niet aan henzelf te danken dat ze geen toegang hebben tot dat burgerschap. Mensenrechten zijn een categorie rechten die niet aan burgerschap gebonden zijn. De vraag is echter wie aanspreekbaar is op de naleving van deze rechten. Een vluchteling die een land ontvlucht waar zijn mensenrechten geschonden worden vertrekt naar een ander land om daar wel rechten te hebben. Andere staten hebben echter hoge muren opgeworpen die het werverven van burgerrechten voor vluchtelingen soms zeer moeilijk of onmogelijk maken.

Benhabib pleit in antwoord op dit probleem voor het recht van ieder mensen om rechten te hebben, ongeacht zijn status van politiek lidmaatschap. Die rechten zijn overigens niet per se afhankelijk van de status van burger. Men kan rechten genieten en politieke representatie hebben in economische, politieke, juridische en culturele instituties die niet gebonden zijn aan de natiestaat. Mensen die minstens vijf jaar in Nederland hebben lokaal stemrecht, ongeacht of ze een status van burgerschap hebben.

Kosmopolitisme

In de woorden van Benhabib is er een 'territoriale crisis'. Het Westfaalse model staat onder druk doordat veel problemen en uitdagingen waarmee mensen te maken hebben transnationaal zijn. Een belangrijke factor hierin is de opkomst van een mondiale economie waarbinnen kapitaal, financiën en arbeid op een wereldwijde vrije markt rondgaan. Daarnaast zijn er door migratie steeds meer transnationale culturele netwerken en gebeurt communicatie steeds meer over grenzen heen. Problemen van economische (denk aan de financiële crisis), ecologische (klimaatverandering), immunologische (Mexicaanse griep) en kennistechnologische (auteursrechten op internet) aard zijn te groot om door natiestaten alleen opgelost te worden. De natiestaat is steeds meer een archaïsche institutie geworden, maar staten proberen nog steeds een territoriaal monopolie in stand te houden door middel van een politiek van immigratie en burgerschap. Op dit gebied proberen staten eerder in sterkere mate de eigen belangen te beschermen.

Sinds de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (URVM) in 1948 is er een opkomst van een internationaal mensenrechtenregime te zien. Misdaden tegen de menselijkheid binnen de beslotenheid van een soevereine staat (denk aan genocide) wordt in toenemende mate als strafbaar gezien, ook al wordt hiermee de soevereiniteit van een (misdadig opererende) staat geschonden. Humanitaire interventies zijn eveneens een uiting van dit internationale mensenrechtenregime. De UVRM erkent een recht om te emigreren, maar geen recht om te immigreren. Er is ook een recht op nationaliteit. De UVRM spreekt zich echter niet uit over verplichtingen van staten om immigranten toe te laten en om hen burgerschap te verlenen. Hierin wordt de soevereiniteit van staten gerespecteerd. Dit leidt echter wel tot een interne tegenstrijdigheid op het gebied van mensenrechten. Er zijn rechten, maar het is niet duidelijk wie die rechten moet verlenen, alleen dat ze verleend moeten worden.

Benhabib pleit uiteindelijk in navolging van Immanuel Kant voor een 'kosmopolitisch federalisme', waarin staten wereldwijd met elkaar verbonden zijn en zo het recht van ieder mens op rechten garanderen. Staten zijn nog steeds belangrijke eenheden binnen een dergelijk model, maar niet de enige plaats met politieke soevereiniteit. Ook transnationale instituties als de EU en de VN en lokale instituties als de gemeente kunnen soms soeverein zijn.

Filosofen over het recht op rechten

Immanuel Kant postuleert in zijn essay over 'Eeuwige vrede' uit 1795 een recht op gastvrijheid. Dit betekent het recht van een vreemdeling om bij aankomst niet vijandig te worden behandeld. De ander mag hem uitwijzen zolang dat niet zijn ondergang tot gevolg heeft (deze restrictie is als het beginsel van niet-uitzetting opgenomen in de Geneefse Conventie), maar niet vijandig behandelen. Er is een bezoekrecht dat gegrond is in het recht van het gemeenschappelijk bezit van het aardoppervlak. Omdat de aarde bolvormig is, is de ruimte beperkt en moeten mensen elkaar in hun nabijheid dulden.

Hannah Arendt wees er op dat de mensonterende destructie van het totalitarisme begon toen miljoenen mensen stateloos gemaakt werden en hen 'het recht om rechten te hebben' werd ontzegd. Het verlies van nationaliteit (waarmee men stateloos wordt) kwam hierbij neer op een verlies aan mensenrechten. Voorbeelden van stateloos gemaakte groepen zijn de Joden in Nazi-Duitsland, Griekse en Armeense staatsburgers ten tijde van de oprichting van Turkije (1923) en Duitse vluchtelingen in het Franse Vichy. De Joodse Arendt was zelf, als Duitse in Frankrijk, stateloos tussen 1935 en 1941, het jaar waarin ze asiel vond in de VS.

De filosoof John Rawls doet in diens The Law of the Peoples eigenlijk een stap terug ten opzichte van Kant. Kant had het over rechten die gelden voor individuen in de internationale arena, terwijl in het werk van Rawls rechten gelden voor wat Rawls volkeren noemt. Het hele begrip volk is echter een problematisch concept. Hij weet het onderscheid tussen volkeren en staten niet duidelijk te maken. Bovendien veronderstelt hij een zekere eenheid binnen volkeren (ze hebben 'gelijke sympathieën' en vormen 'gemeenschappen van gedeeld moreel besef'), daarbij aspecten als sekse, klasse, etniciteit en religie negerend. Het verhaal dat een volk bindt staat in Benhabibs visie altijd ter discussie en ontwikkelt zich door scheidingen en twisten.

Het is een terugkerend element in het werk van Benhabib dat ze de focus legt op individuen met hun eigen opvattingen, visies en loyaliteiten. Te sterk groepsdenken, ook binnen het multiculturalisme trouwens, biedt niet voldoende ruimte aan individuen om hun eigen positie te bepalen. In reactie op de volkeren-visie van Rawls schrijft ze: “(P)raktiserende moslims en joden zijn niet 'elders'; zij zijn onze buren, burgers en wijzelf in liberaal-democratische samenlevingen. Waardenpluralisme binnen de groep loopt parallel met waardenpluralisme tussen groepen. 'De ander' leeft niet ergens anders.”

Benhabib bespreekt een aantal filosofen die pleiten voor mondiale herverdeling. Tegen een wereldwijd systeem van rechtvaardige verdeling voert ze een aantal bezwaren aan, waarvan de belangrijkste is dat het botst met de democratische soevereiniteit van staten als hen gedwongen wordt om aan zo'n verdeling mee te werken. Theoretici moeten niet voorbij gaan aan democratische processen, maar kunnen wel hun stem laten horen in die democratische processen.

Eén van de principes van de discoursethiek (discourse ethics, die ontstaan is vanuit het werk van Jügen Habermas en waarbinnen Benhabib één van de belangrijke denkers is) is dat eenieder die geraakt wordt door een beleid, een stem moet krijgen in de vormgeving van dat beleid. In een wereldgemeenschap moet besluitvorming gelaagd vormgegeven worden. Benhabib stelt haar hoop op democratische iteraties. Dat zijn morele en politieke dialogen waarin bepaalde mondiale principes en normen opnieuw toegeëigend en herhaald worden.

Benhabib meent dat in discussies over internationale rechtvaardigheid niet alleen gekeken moet worden naar een rechtvaardige verdeling, maar ook naar rechtvaardig lidmaatschap. Daarin gaat het om de erkenning van de morele claim van vluchtelingen op eerste toelating, poreuze grenzen voor immigranten, een verbod op het ontnemen van nationaliteit en staatsburgerschap, de verdediging van het recht op rechten voor ieder mens en tot slot de mogelijkheid voor immigranten om het burgerschap onder bepaalde voorwaarden te verwerven.

Immigratie en integratie

De bekendste groep critici van de kosmopolitische visie staat bekend als communitaristen of liberale nationalisten. Zij menen dat kosmopolieten de speciale banden die mensen hebben met hun geboortegrond en land onderschatten. Omwille van het behoud van culturele cohesie en/of de integriteit van politieke instituties pleiten zij voor streng bewaakte grenzen die massale immigratie tegen moeten gaan. Zij menen dat de nationale soevereiniteit onaangetast moet blijven. Benhabib verwijt hen dat zij de mate van interne cohesie van samenlevingen overdrijven en dat ze de discussie over universele rechten omzeilen. Hun ethisch besef lijkt soms slechts tot de grens te reiken. Uiteindelijk kiest Benhabib niet voor één van de polen die zij belangrijk acht, namelijk universele rechtsprincipes en collectieve zelfbeschikkingsaanspraken (zeg maar de democratie op nationaal niveau). Zij meent dat aan beide recht moet worden gedaan in onderhandeling, toeëigening en herformulering in creatieve, openbare, politieke dialogen.

Er zijn ook sociaaldemocraten die voor een beperking van migratie pleiten omdat zij die migratie zien als een oorzaak van het verval van burgerschap. Benhabib spreekt dat verval niet tegen, de cijfers van politieke participatie en burgerparticipatie in het algemeen lopen terug. Zij meent echter dat migratie hier niet de oorzaak van is, maar veeleer de globalisering van de economie en het gebrek aan controle daarop en de opkomst van ideologisch weinig onderscheidende massapartijen en een politiek van massamedia waarin lokale politiek op de achtergrond raakt. Bovendien gaan deze denkers eraan voorbij dat er nieuwe verschijningsvormen van politieke werking zijn, waarin migranten participeren.

Een aantal vaak in de politiek gehoorde argumenten om de immigratie te beperken zijn dat staten hun culturele identiteiten moeten beschermen tegen een overweldigende hoeveelheid nieuwkomers, dat de culturele identiteit kan verwateren en dat de druk op sociale en economische voorzieningen te hoog wordt door haar voortdurende aanzuigende werking. Staten kunnen hierop reageren door de voorwaarden voor binnenkomst verzwaren of de toegang tot bijvoorbeeld sociale zekerheid voor vreemdelingen beperken. Vreemdelingen kunnen echter in toenemende mate aanspraak maken op bescherming door gerechtshoven. Ook illegale vreemdelingen zijn niet geheel rechteloos.

Benhabib meent dat er voor vreemdelingen die toegang gevonden hebben tot een land een recht op lidmaatschap bestaat. Dit recht is het omgekeerde van het verbod op denaturalisatie. Landen hebben de vrijheid om bepaalde voorwaarden te verbinden aan de toegang tot burgerschap, maar als het verwerven überhaupt niet mogelijk is, of beperkt tot bepaalde niet-gekozen gronden als etniciteit, ras of seksuele voorkeur, dan betekent dit een schending van het mensenrecht op lidmaatschap, dat voortkomt uit de erkenning van elk individu als een wezen dat recht heeft op moreel respect.

De desaggregatie van burgerschap

Traditioneel was burgerschap georganiseerd op het niveau van staten. Er was sprake van een eenheidsmodel, dat voortdurend verblijf in een staat combineerde met een gedeelde nationale identiteit, politieke rechten en onderworpenheid aan een gemeenschappelijke bestuurlijke jurisdictie. Dit model is gedesaggregeerd (uit elkaar gevallen). Je kunt politieke rechten hebben zonder staatsburger te zijn en je kunt sociale rechten en voordelen genieten als buitenlandse werknemer zonder burger te worden in het land waarin je werkt. Onder vreemdelingen zonder burgerschap in een land is er een onderscheid te maken naar burgers van EU-landen en mensen van daarbuiten. Die eerste groep heeft bepaalde bijkomende rechten, zoals passief en actief stemrecht bij lokale en EU-brede verkiezingen.

Bovendien ben je als burger van een lidstaat van de Europese Unie ook burger van de Unie. Dit geeft rechten zoals het zich mogen vestigen in alle landen van de Unie. Een keerzijde van deze nieuwe rechten is dat de toegang tot lidstaten van buiten de EU bemoeilijkt is. Het wegvallen van grenzen binnen Europa heeft geleid tot een versterking van het fort Europa. Omdat de eerste binnenkomst een traject in de richting van volledige integratie op gang brengt, verwacht Benhabib dat het toekomstige beleid van de EU eerder gericht zal zijn op de beperking van de toegang dan van de ontmanteling van rechten van ingezeten vreemdelingen.

Binnen Europa hebben niet alleen burgers rechten, maar ook andere legale inwoners kunnen aanspraak maken op mensenrechten en worden beschermd door wetgeving boven en onder het niveau van de staat. Ongedocumenteerden, vluchtelingen en asielzoekers bevinden zich in het schemergebied tussen legaliteit en illegaliteit. In afwachting van verlening van asiel, zijn asielzoekers uitgesloten van bepaalde rechten, zoals het aanvaarden van werk of het kiezen van een woonplaats. In Nederland hebben alle mensen, ook illegalen, rechten, bijvoorbeeld op bepaalde vormen van medische zorg. Ondanks dat asielzoekers bepaalde rechten hebben worden ze behandeld als halfcriminele elementen, wier contact met de samenleving zoveel mogelijk vermeden en gereguleerd wordt. Ze hebben een bestaan aan de grenzen van alle rechtsregimes, in een positie van uitzondering.

In de voorwaarden voor nieuwe EU-lidmaten wordt het in stand kunnen houden van bepaalde instituties vereist (zoals een rechtsstaat, bescherming van minderheden, een concurrerende markteconomie en een verbinding met de politieke, economische en monetaire unie), maar worden de meer controversiële thema's betreffende historische, culturele, linguïstische, religieuze en etnische identiteiten vermeden. Omdat de identiteit van de EU niet officieel bepaald is, is de toetreding van Turkije zo'n gevoelig onderwerp.

Omdat Europa zelf in een proces van 'anders-worden' zit, van een continent van natiestaten in een transnationale politieke identiteit, wordt de aanwezigheid van 'anderen', asielzoekers, migranten, gastarbeiders, een voor de hand liggende bron van zorgen en onzekerheden, die kan leiden tot een politiek van vreemdelingenhaat. Benhabib meent echter dat, in weerwil van 'de theoretici van het verval van burgerschap' die menen dat migratie schadelijk is voor de politieke en wettelijke cultuur van een land, de aanwezigheid van 'anderen' met een afwijkende culturele identiteit leidt tot een 'rechtscheppende politiek', waarin anderen zich onze instituties en tradities eigen maken en herinterpreteren.

Benhabib pleit voor het decriminaliseren van asielzoekers wier aanvraag in behandeling is, vluchtelingen en migranten zonder documenten. We moeten de morele waardigheid van elke persoon erkennen en het recht op universele gastvrijheid niet offeren op het altaar van het staatsbelang, zoals nu gebeurt. Democratische volkeren moeten regels van lidmaatschap opstellen door discursieve meningsvorming, die uitmonden in een beleid en wetten die overeenkomen met de kosmopolitische normen van universele gastvrijheid. We kunnen de paradox dat degenen die uitgesloten worden door dit beleid niet zullen behoren tot de groep die over de regels van opname beslist niet voorkomen, maar door onophoudelijke iteraties wel verkleinen.

Iteraties

Het begrip iteratie werd in de taalfilosofie geïntroduceerd door Jacques Derrida. Hij stelde dat bij de herhaling van termen of concepten de oorspronkelijke betekenis nooit gewoon gekopieerd wordt. Elke herhaling is eerder een variatie, waarin de betekenis van een begrip getransformeerd wordt. Het hele idee van een oorspronkelijke betekenis is overigens een illusie.

Als het gaat om iteratie van vastgelegde normen (bijvoorbeeld wetten) is er wel sprake van een oorspronkelijke betekenis. In het concrete gebruik van termen en concepten is echter voortdurend sprake van herinterpretatie in een steeds nieuwe en andere context. De betekenis wordt in dat proces verrijkt, getransformeerd en herroepen. Als deze iteraties de vorm krijgen van rechtscheppende politiek betekent dat dat een demos (het volk dat gerepresenteerd wordt in het politieke debat) zich niet alleen als subject van wetten laat zien, maar ook als maker van die wetten.

Benhabib bespreekt het proces van iteraties aan de hand van een aantal concrete cases, waaronder debatten over het dragen van hoofddoeken in Frankrijk en Duitsland. De discussie over hoofddoeken in het openbare leven in Frankrijk, 'l'affaire du foulard', begon in 1989 toen drie moslimmeisjes van hun school verwijderd werden omdat ze een hoofddoek droegen en liep uit op een verbod op het dragen van religieuze symbolen op openbare scholen dat in 2004 uitgevaardigd werd door de Nationale Assemblee. Het ging hier om een conflict tussen de gewetensvrijheid en de specifieke Franse interpretatie van de neutraliteit van de staat in het principe van laïcité (waar scheiding van kerk en staat eigenlijk niet de juiste vertaling voor is). Deze affaire leidde tot een nog steeds voortdurend debat over de betekenis van Frans burgerschap in een steeds multicultureler en multireligieuzer wordende samenleving.

Het eerste conflict in 1989 ging tussen een schooldirecteur die een compromis met ouders gesloten had over het niet dragen van hoofddoekjes op school. Na overleg met een belangrijke leider van een moslimorganisatie had een drietal meisjes toch besloten om met een hoofddoek op school te verschijnen. De directeur verbood hen vervolgens het volgen van lessen met een hoofddoek. Deze kwestie werd uiteindelijk voorgelegd aan het hooggerechtshof, die het beleid in deze kwestie aan scholen zelf liet.

Benhabib probeert iets te begrijpen van de betekenis van de daad van de meisjes om met hoofddoek om op school te komen. Zij meent dat ze hiermee hun vrijheid van religie als Franse burgers uitoefenden. In de loop der jaren probeerden zij en andere sympathisanten een opening te creëren in de publieke ruimte voor wat de Franse staat wilde zien als een privésymbool dat ongewenst was in de neutrale publieke ruimte. Het interessante is dat ze daarmee actief en publiekelijk handelden, waarin ze niet alleen de staat trotseerden maar ook als islamitische vrouwen een actieve en publieke rol innamen. Om die reden past het niet om in de hoofddoek in dit verband alleen een symbool van de onderdrukking van de meisjes te zien.

De daden van deze meisjes droegen elementen in zich van religieuze plicht, ondermijning van gezag, cultureel protest en een puberaal trekken van aandacht. De betekenis van de hoofddoek transformeerde in de loop van het debat. Benhabib betreurt het dat de stem van de meisjes zelf (zowel de direct betrokkenen als moslimmeisjes in het algemeen) aanvankelijk nauwelijks gehoord werd in het debat, terwijl hun belangen het meest wezenlijk geraakt werden door de normen die het dragen van de hoofddoek verboden onder bepaalde omstandigheden. Zij moeten volgens haar ook leren een rechtvaardiging te geven voor hun daden en duidelijk te maken hoe zij zelf anderen (in religieuze en morele zin) het respect tonen dat zij voor zichzelf opeisen.

Benhabib meent dat het verbod op hoofddoeken op openbare scholen de opkomst van een gematigde islam bemoeilijkt, maar dat processen van democratische iteratie door zullen gaan, omdat mensen vraagtekens blijven zetten bij deze wetgeving en een toetsing aan Europees recht zullen afdwingen.

Benhabib meent dat we moeten leren leven met (in de woorden van Michael Walzer) 'liberalisme en de kunst van segregatie'. Daarin worden we geconfronteerd met anderen wiens levenswijzen intens bedreigend kunnen zijn voor ons, maar met wie we beschaafd samen dienen te leven. De discussies over de ruimte voor mensen die niet delen in de geschiedenis en de moraal van de dominante cultuur leiden niet tot een desintegratie van de democratische cultuur, maar laten juist haar diepte en breedte zien. De betekenis van burgerschap wordt door deze iteraties steeds verrijkt en opnieuw vormgegeven.

Conclusie

Benhabib sluit haar boek af met de constatering dat democratische soevereiniteit oorspronkelijk gebaseerd was op drie idealen: dat het volk zowel de maker als het onderwerp van de wetten is, het ideaal van een verenigde demos (die samen het electoraat vormen) en van een besloten en autochtoon gebied waarover de demos bestuurt. Deze laatste twee idealen stelt Benhabib in haar boek ter discussie. Het samenvallen van demos en ethnos (een volk met een gezamenlijke geschiedenis en identiteit) is achterhaald, en de demos vormt zich door een strijd van opname en uitsluiting. De onderlinge afhankelijkheid van volken in de wereld maakt het model van territoriale autonomie achterhaald.

Het eerste ideaal, dat degenen die onder een wetgeving vallen de hand moeten hebben in het bepalen van die wetgeving, is een cruciaal idee voor Benhabib. Democratische wetten vereisen begrenzing, omdat democratische vertegenwoordigeers verantwoording af moeten leggen aan een specifiek volk (in de zin van demos, niet van ethnos). Benhabib pleit niet voor de afschaffing van nationaal burgerschap, maar een aanvulling met vormen van subnationaal en transnationaal burgerschap. Ook wil ze geen open, maar poreuze grenzen. Tot slot pleit ze niet voor een onbeperkte toegang tot burgerschap, maar wel voor een mogelijkheid om burgerschap te verwerven, en voor het vinden van manieren waarop uitgeslotenen een stem krijgen in het bepalen van de voorwaarden van uitsluiting.

Ruben Altena, redacteur van LUX

Links

Pagina op de site van Yale University
Wikipedia
In 2011-2012 is Benhabib Academic Fellow aan het Strauss Institute van New York University.
Benhabib is initiatiefnemer van een jaarlijkse conferentie, de Istanbul Seminars.
Samen met Benjamin Barber leidt Benhabib de Demos Working Group on Global Governance.
In 2009 won Benhabib de Ernst Bloch Prijs.

Transcriptie van bovenstaand uitgebreid persoonlijk interview.

Artikelen en andere bronnen

Interviews

Over mensenrechten (2010)
The Guest is Always a Fellow Citizen (2009) (gaat erg over de situatie in Duitsland, die staatsrechtelijk verschilt van NL), citaat: “There is more religion in politics in the U.S. than in Turkey”
Interview with Seyla Benhabib (2009)
Over Hannah Arendt (2009)
On the Public Sphere, Deliberation, Journalism and Dignity (theoretisch, over (nieuwe) media) (2008)
Mosque and State (2007)
Conversations with history (2004)
Globalization changing nature of citizenship (2003)
Justice and Jihad (rondetafelgesprek voor televisie) (2002)
Egoïstisch Europa sluit kwetsbaarste groep buiten (persoonlijk en over vluchtelingen) (2000)
Discourse Ethics and Minority Rights (2000) (blz 29)
A Hegel Admirer (1993)

Artikelen

Israel’s Stalemate (2010)
Remarks to the Advisory Board of the UN Democracy Fund United Nations (2010)
Toward a converging cosmopolitan project? (2010)
Zur Utopie und Anti-Utopie in Unsere Zeiten (rede Ernst Bloch prijs 2009)
What is Israels End-Game (2009)
Unterwegs zu einer kosmopolitischen Demokratie? (2009)
Turkey's constitutional zigzags (2009)
Turkey’s Headscarf Legislation: One Step Backwards (2008)
Seyla Benhabib Response (over de Irak oorlog) (2007)
Turkey’s growing pains (2006)
Introductie Migrations and Mobilities
Crises of the Republic: Transformations of State Sovereignty and the Prospects of Democratic Citizenship (2007) (blz 45)
The “Claims” of Culture Properly Interpreted (2006)
Reclaiming Universalism: Negotiating Republican Self-Determination and Cosmopolitan Norms (Tanner Lectures 2004)
The Rights of Others. Aliens, Residents and Citizens (2004)
On Culture, Public Reason, and Deliberation: Response to Pensky and Peritz (2004)
Unholy Politics (2001)
Nous et les autres (1999)
Feminism and Postmodernism: An Uneasy Alliance (1996)
The Strange Silence of Political Theory: Response (1995)
FROM IDENTITY POLITICS TO SOCIAL FEMINISM: A PLEA FOR THE NINETIES (1994)

Secundair

slechts korte quotes van Benhabib (2010)
Laudatio Ernst Bloch prijs door Micha Brumlick (2009) (meer over prijs)
Eine Denkerin fürs 21. Jahrhundert (2009)
Complex Identities: Seyla Benhabib Between Feminism and Discourse Ethics (2009)
Cosmopolitanism and Seyla Benhabib (2006)
My nerve ends are constantly sensitive to these issues (2005)
Some Conditions for Culturally Diverse Deliberation (2005)
Inleiding op Benhabib en the claims of culture (2004)
Over Situating the Self (2002)
The Politics of Sex and Gender: Benhabib and Butler Debate Subjectivity (2000)
Recensie van The Reluctant Modernism of Hannah Arendt (1999)
Citizens, Residents, and Aliens in a Changing World: Political Membership in the Global Era. (1999)
Paper over Benhabib en cosmopolitisme
delibirative democracy
recensies another cosmopolitanism:
http://ndpr.nd.edu/review.cfm?id=9543 en  http://www.equinoxjournals.com/CR/article/viewFile/7964/5386
Recensie van Situating the Self (1992)
artikel van Vd hoek over Benhabibs lezing van Hannah Arendt (1992)
Seyla Benhabib 'The Claims of Culture: Equality and Diversity in the Global Era'
Habermas, discourse ethics and doing justice to the exception: immigrants and the law (vanaf blz 125)
Mooi overzicht, met citaten
In the Shadow of the Wall (over Benhabib over Habermas) (2001)
Karen Vintges - Endorsing Freedom Practices: Feminism in a Global Perspective
Corinne Bekker – Burgerschap en morele educatie in de pluralistische samenleving

Video

interview Migrations and human rights (2010)
The oppurtinities and dangers of immigration (2010)
Vortrag zum Thema Menschenwürde, Demokratie und Weltpolitik (2009) Cosmopolitan Norms, Human Rights, and Democratic Iterations (2009)
Conversations with History: Political Theory, Globalization, and the 'Right to Rights' (2004)
"From the 'Dialectic of Enlightenment' to the 'Origins of Totalitarianism' and the Genocide Convention.: Adorno and Horkheimer in the Company of Arendt and Lemkin" (2008)

Audio

http://www.humanrights.ie/index.php/2010/08/20/anniversary-blognival-benhabib-in-conversation/
http://www2.utah.edu/podcast/indivAudiocast.php?id=7&acId=217
http://blogs.bu.edu/euforyou/2009/08/30/turkey-and-the-eu/

Bibliografie (niet compleet)

Critique, Norm and Utopia: A Study of the Foundations of Critical Theory. Columbia Univ. Press, 1986.
The Communicative Ethics Controversy (red.) (1990)
Situating the Self. Gender, Community and Postmodernism in Contemporary Ethics. Polity Press, 1992.
Feminist Contentions: A Philosophical Exchange. (co-authored with Judith Butler, Nancy Fraser and Drucilla Cornel) Routledge, 1996.
Hoofdstuk: Feminism and Postmodernism: An Uneasy Alliance (1996)
hoofdstuk van Nancy Fraser
The Reluctant Modernism of Hannah Arendt. Sage Pub., 1996.
Transformations of citizenship: dilemmas of the nation state in the era of globalization : two lectures (2001)
The claims of culture: equality and diversity in the global era (2002)
The rights of others: aliens, residents, and citizens (2004), vertaald als De rechten van anderen.
Another Cosmopolitanism (2006)
Dignity in Adversity. Human rights in turbulent times. (2011)

Boeken, als redacteur

Feminism as Critique: Essays on the Politics of Gender in Late-Capitalist Societies. (co-edited with Drucilla Cornell) Polity Press, 1987.
The Communicative Ethics Controversy. (co-edited with Fred Dallmayr) MIT Press, 1990.
On Max Horkheimer. New Perspectives. (co-edited with Wolfgang Bonss and John McCole) MIT Press, 1993.
Democracy and Difference: Changing Boundaries of the Political. Princeton Univ. Press, 1996.
The Philosophical Discourses of Modernity. (co-edited with Maurizio Passerin d'Entreves) Polity Press, 1996.
Habermas and the Unfinished Project of Modernity (1997)
Pragmatism, Critique, Judgment: Essays Richard J. Bernstein (2004). Benhabib inleiding en artikel over the right to have rights
Identities, Affiliations and Allegiances (2007) (Benhabib alleen introductie)
Seyla Benhabib, and Judith Resnik. (eds.), Migrations and Mobilities. Citizenship, Borders, and Gender, New York University Press, New York, 2009
(Introductie) (verder geen hoofdstuk door Benhabib)
Politics in Dark Times: Encounters with Hannah Arendt (2010) (red. Benhabib, inclusief inleiding en één hoofdstuk) (Deel introductie)

Over eredoctoraat Valencia 2010:
http://palabrademujer.wordpress.com/2010/11/10/la-feminista-seyla-benhabib-honoris-causa-de-la-universidad-de-valencia/
http://www.actualidaduniversitaria.com/2010/11/seyla-benhabib-analiza-la-validez-intercultural-de-los-derechos-humanos-al-recibir-el-doctorado-Â?honoris-causaÂ?-de-la-universitat-de-valencia/
laudatio http://palabrademujer.files.wordpress.com/2010/11/neus-campillo-catedratica-de-filosofia-uv-discurso-sobre-trayectoria-academica-y-obra-de-seyla-benhabib.pdf


Bookmark and Share

 

 



 
 
     
    ---